Indische tak – C. morosus

De Indische wandelende tak wordt ook wel laboratorium wandelende tak genoemd en is het meest gehouden soort wandelende tak ter wereld. Het soort wordt aangeduid met het psg nummer: psg 1. De officiële Latijnse naam is Carausius morosus. Van nature komt zij voor in India.
Dit is de meeste gehouden soort wandelende tak. Als je een wandelende tak hebt gekregen of je kent iemand die wandelende takken heeft, is dat waarschijnlijk dit soort. De meeste mensen beginnen ook met dit soort als ze voor het eerst wandelende takken gaan houden. Ze zijn dan ook erg makkelijk te houden en eten goed beschikbaar voer, namelijk klimop. Lees verder in deze caresheet om meer te weten te komen over de verzorging van deze wandelende tak.

Indische wandelende tak

Kop van een Indische wandelende tak onder binoculair (60x vergroot).

 

Uiterlijk
Dit soort lijkt duidelijk op een takje qua lichaamsbouw. Ze zijn lang en dun met lange poten, hoewel er soorten zijn met langere poten. De voelsprieten zijn vrij kort, ongeveer 1 cm. De kleur is lichtbruin, de kleur van zand op het strand. Sommige individuen zijn donkerder bruin. Volwassen dieren hebben een grappig rood vlekje aan de binnenkant van de voorste poten.
De lengte is ongeveer 8 cm voor een volwassen vrouwtje.

Gedrag
Een Indische wandelende tak is een rustig dier. Omdat de meeste wandelende takken nachtactief zijn, zullen ze overdag niet veel beweging vertonen. ’s Avonds kan je ze echter wel zien bewegen en eten. Ze kunnen niet bijten, krabben of gif uitscheiden en zijn makkelijk te hanteren. Ze kunnen ook niet springen en niet vliegen.

Voedsel
Dit soort eet heel veel soorten blaadjes. Ze staan bekend om het eten van klimop. Ze kunnen leven op allerlei soorten klimop en ze hebben geen andere bladeren nodig om gezond te zijn. Je kan ze wel veel andere bladeren voeren, zoals braam-, framboos-, eik-, roos-, hazelaar en ligusterbladeren. Braambladeren en klimop is in de winter altijd te vinden.
Planten uit winkels zijn bespoten met insecticiden! Hier gaan je wandelende takken direct van dood bij eten.

Omgevingseisen
Indische wandelende takken stellen weinig eisen aan de warmte. Kamertemperatuur is prima, ongeveer 20 graden. Maar ze voelen zich over het algemeen goed tussen de 18 en de 30 °C.
Dit soort stelt geen hoge eisen aan de luchtvochtigheid. Ze moeten wat water hebben om eventueel te drinken, en voor vervellingen mag de luchtvochtigheid ook wat hoger. Wij raden aan het verblijf ongeveer 3x per week te besproeien als je goede ventilatie hebt, 2x als je minder ventilatie hebt. Het hok hoeft niet permanent vochtig te zijn.
Zoals bij alle soorten wandelende takken, heeft dit soort een verblijf nodig die minstens 3x de lengte van het dier hoog is, en minstens 2x de lengte van het dier breed. Voor een volwassen vrouwtje betekent dit dus minstens 24 cm hoog en 16 cm diep.

Voortplanting
Dit soort is parthenogenetisch in cultuur. Dat betekent dat in gevangenschap er alleen vrouwtjes zijn, en de eitjes die zij leggen komen toch uit zonder dat er een mannetje is geweest. Uit die eitjes komen ook weer alleen vrouwtjes.
Het is mogelijk om een takje te creëren die er als een mannetje uit ziet. Een eitje die op 30 °C wordt uitgebroed zal soms een uiterlijk hebben als een mannetje! Deze gynandromorf kan echter niet paren en zo bevruchte eitjes maken.
Als de vrouwtjes volwassen zijn, zullen ze vanzelf eitjes gaan leggen. De eitjes zijn rond en bruin en hebben een klein dopje er op waar het nimfje later uit zal komen. Ze gooien ze gewoon op de grond. De eitjes komen na ongeveer 2 maanden uit. Heel veel mensen zijn bang dat ze teveel wandelende takken krijgen als ze dit soort nemen, omdat ze daar zoveel verhalen over horen. Het klopt dat dit soort erg snel kweekt, maar er is heel makkelijk zelf wat aan te doen. Het is doodsimpel: bewaar niet teveel eitjes! De eitjes komen na 2 maanden uit, dus als je bijvoorbeeld elke maand alle eitjes uit het hok haalt, zullen ze daar nooit uit komen. De eitjes die je niet wilt kan je weggeven, of een uurtje in de vriezer plaatsen. Zo komen ze niet tot ontwikkeling. Gooi de eitjes niet in de prullenbak voordat je ze bevroren hebt, omdat ze anders in de vuilcontainer of stortplaats uitkomen en daar doodgaan.
Bewaar precies zoveel eitjes als dat je nimfjes wilt verzorgen, want zowat elk eitje komt uit. Die eitjes kan je in een apart bakje bewaren op een vochtig papiertje. Je kan ze ook in het hok leggen, dan komen ze daar uit.

-->